Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2001

Alinea 18 Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AA9243.

1.4 De Staatssecretaris stelt één middel van cassatie voor waarin hij het Hof verwijt art. 10 Wet LB 1964, art. 5 WAHV en art. 17 WARB te hebben geschonden, althans zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd te hebben. Art. 5 WAHV is volgens hem slechts een maatregel ter vereenvoudiging van de inning van boeten en neemt niet weg dat de sanctie is opgelegd vanwege de gedraging waaraan de bestuurder zich heeft schuldig gemaakt. De kentekenhouder is slechts kassier en kan het betaalde bedrag desgewenst op de bestuurder verhalen. 's Hofs oordeel dat niet kan worden gesproken van het voldoen van persoonlijke en op de desbetreffende werknemers verhaalbare schulden is rechtens onjuist, waardoor de grond ontvalt aan de conclusie dat "niet van enig uit de dienstbetrekking genoten voordeel door die werknemers" kan worden gesproken. 's Hofs uitspraak is daarom onvoldoende gemotiveerd. De werknemers genieten volgens de Staatssecretaris een rechtstreeks uit de dienstbetrekking voortvloeiend voordeel dat is aan te merken als loon. De zakelijkheid van de redenen voor het niet-verhalen doen hieraan niet af. Aangenomen mag worden dat het verstrekken van loon altijd op zakelijke gronden berust. De Staatssecretaris betoogt voorts:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aeddd04e17e46f99ea38ca6d07c0d12dbdeb15dcb89d87f10ac2bf1dc6085a78. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aeddd04e17e46f99ea38ca6d07c0d12dbdeb15dcb89d87f10ac2bf1dc6085a78, en de alinea staat in dat document op bytes 8481 tot 9722.