Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2001
Alinea 20 Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AA9243.
Ik merk op dat de vraag of een voordeel zo zeer zijn grond vindt binnen (of buiten) de dienstbetrekking dat (... etc.), pas aan de orde komt indien eerst vastgesteld is dat er een voordeel is. De essentie van 's Hofs uitspraak is dat er zijns inziens geen voordeel door de werkgever aan de werknemer werd verstrekt toen de werkgever afzag van verhaal, omdat, kort gezegd, de werkgever geen keus had: het Hof heeft immers geoordeeld dat van een op de werknemers verhaalbare schuld geen sprake is (r.o. 5.2.7). De werkgever heeft in de visie van het Hof dus geen voordeel verstrekt. Het betoog van de Staatssecretaris is dus een tweetrapsbetoog: (a) 's Hofs beslissing dat van een door de werkgever verstrekt voordeel geen sprake is, is rechtens onjuist, en (b) het verstrekte voordeel (het niet zelf hoeven betalen van de boeten) hangt zo zeer samen met de dienstbetrekking dat het als daaruit genoten moet worden beschouwd.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aeddd04e17e46f99ea38ca6d07c0d12dbdeb15dcb89d87f10ac2bf1dc6085a78. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aeddd04e17e46f99ea38ca6d07c0d12dbdeb15dcb89d87f10ac2bf1dc6085a78, en de alinea staat in dat document op bytes 10111 tot 11047.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aeddd04e17e46f99ea38ca6d07c0d12dbdeb15dcb89d87f10ac2bf1dc6085a78 | shasum -a 256