Citaat | Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2001
Alinea 94 Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 3 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AA9243.
"Wat er zij van de achterliggende motieven om een vordering daadwerkelijk via de rechter te verhalen, is de kantonrechter in het algemeen van oordeel dat een boete terzake van het - met een bedrijfsauto tijdens werktijd - rijden door rood licht, behoudens bijzondere, hier niet gestelde of gebleken omstandigheden, door de betrokken bestuurder moet worden gedragen, onverminderd de wettelijke verplichting van de kentekenhouder (...) om die boete aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB) te voldoen. De kentekenhouder is daartoe op grond van art. 5 WAHV verplicht indien de identiteit van de bestuurder niet aanstonds bij constatering van het feit kan worden vastgesteld, zoals bij de onderhavige "bekeuring op kenteken" kennelijk het geval was. (...) Rechtens is het rijden door rood licht met een bedrijfsauto van de werkgever in beginsel als een tekortkoming in de nakoming van de arbeidsovereenkomst aan te merken. Er zijn geen omstandigheden gesteld of gebleken die in dit geval een ander oordeel kunnen rechtvaardigen."
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/aeddd04e17e46f99ea38ca6d07c0d12dbdeb15dcb89d87f10ac2bf1dc6085a78. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt aeddd04e17e46f99ea38ca6d07c0d12dbdeb15dcb89d87f10ac2bf1dc6085a78, en de alinea staat in dat document op bytes 38254 tot 39301.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/aeddd04e17e46f99ea38ca6d07c0d12dbdeb15dcb89d87f10ac2bf1dc6085a78 | shasum -a 256