Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 januari 2001

Alinea 28 Parket bij de Hoge Raad 19 januari 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AA9556.

2.4 Evenzo geldt in de onderhavige procedure dat [eiser] geen belang had bij het instellen van hoger beroep tegen de door de rechtbank genomen beslissing over de verdeling van de bewijslast, aangezien hij in eerste aanleg in het gelijk was gesteld. Pas toen het hof de grieven 2 en 4 van Oude Monnink gegrond achtte, die de waardering van het door [eiser] geleverde bewijs betroffen, kreeg laatstgenoemde dit belang alsnog. Wederom is het de devolutieve werking van het appel die meebrengt dat het hof vervolgens met toepassing van art. 48 Rv ambtshalve het oordeel van de rechtbank over de verdeling van de bewijslast diende te corrigeren, als dat oordeel tenminste inderdaad onjuist was.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f031c571b5c0c3d2fc132bb60e0c6c8f01d659e20e7fe8c5f644f1aafc5327c3. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f031c571b5c0c3d2fc132bb60e0c6c8f01d659e20e7fe8c5f644f1aafc5327c3, en de alinea staat in dat document op bytes 11751 tot 12454.