Citaat | Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2001
Alinea 37 Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 26 januari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AA9665.
2.5. Met het hof (rov. 7) stel ik voorop dat in dit geding schadevergoeding, op te maken bij staat, wordt gevorderd. Naar vaste rechtspraak is, voor wat het element schade betreft, voor toelating tot de schadestaatprocedure voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is; de omvang van de schade behoeft in het hoofdgeding nog niet te worden gesteld of aangetoond(18). Het verweer van de DW gaat dus alleen op, indien in het hoofdgeding reeds kan worden vastgesteld dat de mogelijkheid van schade niet aannemelijk is. Die situatie doet zich hier niet voor. De mogelijkheid van schade bestaat allereerst ten aanzien van de besluiten die in de bestuursrechtelijke beroepsprocedures zijn vernietigd(19). Maar ook ten aanzien van de 195 overige auto's bestaat de mogelijkheid van schade. Het hof heeft de vordering kennelijk zó opgevat, dat [verweerster] niet vergoeding vordert van andermans schade (de schade van de kentekenhouders), maar een vergoeding van haar eigen bedrijfsschade. [Verweerster] heeft in feitelijke instanties uiteengezet dat, tengevolge van de brief van de RDW aan de afnemers, zij met zoveel claims werd bestookt dat haar bedrijf in gevaar kwam en dat zij in feite schadebeperkend heeft gehandeld door de teleurgestelde kopers/kentekenhouders niet te verwijzen naar een langdurige formele bestuursrechtelijke procedure, maar hen integendeel zo snel mogelijk met een uitkering tevreden te stellen(20). In rov. 7 overweegt het hof uitdrukkelijk dat de nadere vaststelling van de schade in de schadestaatprocedure zal moeten plaatsvinden. In de redenering van het hof zal de DW de gehele schade van [verweerster] moeten vergoeden. Daarmee is m.i. nog niet gezegd dat elk bedrag dat [verweerster] aan een afnemer heeft betaald automatisch door [verweerster] kan worden doorberekend aan de DW. Het enige, dat het hof al wel heeft beslist omtrent de omvang van de schade, is dat [verweerster] als gevolg van het onrechtmatig handelen van de DW thans niet meer in staat is te bewijzen dat de door hem ingevoerde auto's nieuw waren (rov. 8). In de schadestaatprocedure zal dus moeten worden uitgegaan van de fictie dat de auto's ten tijde van de invoer door [verweerster] nieuw waren. Als de DW bijv. in de schadestaatprocedure kan aantonen dat ná de invoer met een bepaalde auto geknoeid is (terugdraaien kilometerstand e.d.) en dat zulks geheel of gedeeltelijk ten grondslag heeft gelegen aan de vergoeding die [verweerster] aan de desbetreffende koper heeft betaald, heeft de rechter in de schadestaatprocedure - anders dan het cassatiemiddel veronderstelt - alle vrijheid om te oordelen dat het door [verweerster] aan de koper vergoede bedrag niet behoort tot de schade van [verweerster] welke toegerekend moet worden aan de onrechtmatige daad van de DW.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/25e5fa4d0fc5cbee68b80d08ad41766e1744669b49c0b3b86990025d58a7d1a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 25e5fa4d0fc5cbee68b80d08ad41766e1744669b49c0b3b86990025d58a7d1a1, en de alinea staat in dat document op bytes 18105 tot 20899.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/25e5fa4d0fc5cbee68b80d08ad41766e1744669b49c0b3b86990025d58a7d1a1 | shasum -a 256