Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2001

Alinea 41 Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 februari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AA9767.

17. Al aangenomen dat [eiseres] bij deze klachten belang heeft, nu 's Hofs oordeel dat de stelling van [eiseres] dat zij de Nederlandse taal niet beheerst haar niet legitimeert om de verwijzingstekst te negeren reeds zelfstandig kan worden gedragen door het oordeel dat het dan op de weg van [eiseres] had gelegen om nadere informatie in te winnen bij [verweerster] alvorens de opdracht te verstrekken, zijn de klachten tevergeefs aangevoerd. De eerstbedoelde klacht is ongegrond, omdat het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft gemeend dat van een internationaal opererende handelsonderneming als [eiseres] verwacht mag worden dat zij over de middelen beschikt om achter de betekenis van teksten in de landstaal van haar buitenlandse klanten te komen. De laatstbedoelde klacht mist feitelijke grondslag, omdat het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk in de stelling van [verweerster] dat [eiseres] had kunnen weten dat de verwijzing onderaan het briefpapier een verwijzing naar algemene expeditievoorwaarden inhield (mem. van grieven, blz. 12) de stelling heeft gelezen dat [eiseres] in staat moet worden geacht die tekst te ontcijferen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4d2e45e8fe147afe953b338c95e296db4437ab289e97f0705d895e3bdee2d518. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4d2e45e8fe147afe953b338c95e296db4437ab289e97f0705d895e3bdee2d518, en de alinea staat in dat document op bytes 19901 tot 21057.