Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2001

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 februari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AA9813.

8. De bewijsrechtelijke regel die de Hoge Raad in verband met verweren die een beroep op een strafuitsluitende omstandigheid inhouden een en andermaal heeft benadrukt is deze. Een dergelijk verweer brengt voor de rechter de verplichting mee de feitelijke grondslag ervan zelf te onderzoeken. Daaruit vloeit voort dat de last van het aannemelijk maken daarvan niet uitsluitend op de verdediging mag worden gelegd. Bovendien mag niet worden verlangd dat omtrent die feitelijke grondslag de grootst mogelijke zekerheid wordt verkregen, op gelijke wijze als zou gelden ten aanzien van de vraag of de in een tenlastelegging opgenomen beschuldiging feitelijk juist is. Het verweer zal moeten worden gehonoreerd indien de rechter bevindt dat de feitelijke grondslag ervan aannemelijk is geworden. Uit een reeks van uitspraken noem ik HR NJ 1993, 267 en HR NJ 1997, 657.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/96aa0998659dc0d42e8e7315457b2ca178801bc40d85f5058b8f6a68f6e8e0ea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 96aa0998659dc0d42e8e7315457b2ca178801bc40d85f5058b8f6a68f6e8e0ea, en de alinea staat in dat document op bytes 9667 tot 10542.