Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2001
Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 februari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0031.
(ii) De in genoemd arrest gestelde eis, dat de aanvulling voor de gemiddelde vakman reeds tevoren voldoende voor de hand lag om, aan de hand van de inhoud van het octrooischrift in samenhang met de stand van de techniek op de voorrangsdatum, zelfstandig tot de slotsom te komen dat het octrooi slechts verleend had behoren te worden met de in de aanvulling gelegen beperking, volgt inderdaad niet uit art. 138 lid 1 EOV. Het gaat hier echter niet om een extra grond voor nietigheid van (het desbetreffende gedeelte van) het octrooi. Het gaat erom, de gevolgen te regelen van een partiële nietigverklaring wanneer zich één of meer van de in art. 138 lid 1 EOV genoemde nietigheidsgronden voordoen. Art. 138 lid 2 EOV laat de nationale wetgever de ruimte om van regeling af te zien: in dat geval zou de rechter moeten volstaan met een partiële nietigverklaring van het octrooi, zonder de gevolgen te regelen. De Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen, gebruik te maken van de door het tweede lid geboden mogelijkheid om een wijziging van de conclusies, beschrijving en/of tekening toe te staan. Van de beweerde strijd met art. 138, eerste lid, EOV is m.i. geen sprake.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/bdfd3de9b4ad8764392ad364f6b61235846812162d0e8f25964c472df2815fe2. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt bdfd3de9b4ad8764392ad364f6b61235846812162d0e8f25964c472df2815fe2, en de alinea staat in dat document op bytes 27297 tot 28484.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/bdfd3de9b4ad8764392ad364f6b61235846812162d0e8f25964c472df2815fe2 | shasum -a 256