Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001

Alinea 126 Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0296.

7.3. Het komt mij voor dat dit standpunt tegenovergesteld is aan het standpunt dat de Staatssecretaris in de thans te berechten zaak inneemt. Het houdt immers in dat het verdrag met het VK de Nederlandse vestigingsplaatsfictie van art. 2, lid 4, Wet Vpb. opzij zet óók voor de toepassing van het verdrag met de derde Staat. Daarmee is moeilijk te rijmen dat de Staatssecretaris in de thans te berechten zaak het standpunt inneemt dat de BRK (die zoveel mogelijk als een belastingverdrag moet werken en bovendien, anders dan een verdrag, op het punt van de tie break voor rechtspersonen niet eens de beperkende formule "voor de toepassing van deze Rijkswet ..." bevat) de vergelijkbare vestigingsplaatsfictie van art. 1, lid 3, Divb. niet opzij zet voor andere doeleinden dan toepassing van de BRK.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c, en de alinea staat in dat document op bytes 63550 tot 64362.