Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001

Alinea 137 Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0296.

8.6. De vergelijkbaarheid van een vreemdrechtelijk lichaam en een Nederlandsrechtelijke lichaam op het punt van de inhoudingsplicht voor de Nederlandse dividendbelasting wordt mijns inziens niet weggenomen door de omstandigheid dat een vreemdrechtelijk lichaam in overigens dezelfde omstandigheden niet onderworpen wordt aan binnenlandse (onbeperkte) belastingplicht voor de vennootschapsbelasting. In de eerste plaats bestaat het onderscheid tussen binnenlandse (onbeperkte) en buitenlandse (beperkte) belastingplicht niet voor de dividendbelasting. In de tweede plaats gaat het hier niet om de vennootschapsbelasting. In de derde plaats rijst de vraag of de onderwerping van Nederlandsrechtelijk opgerichte lichamen aan binnenlandse belastingplicht voor de vennootschapsbelasting (art. 2, lid 4, Wet Vpb.), ook als zij hier feitelijk niet gevestigd zijn, niet evenzeer een discriminatie naar nationaliteit van rechtspersonen oplevert als art. 1, lid 3, Divb. dat doet. Bij de discriminatie voor de vennootschapsbelasting kan nog aangevoerd worden dat die niet zoveel om het lijf heeft omdat de uit art. 2, lid 4, Wet Vpb. voortvloeiende extraterritoriale vennootschapsbelastingheffing voor Nederlandsrechtelijke lichamen feitelijk weer wordt weggenomen door de eenzijdige regeling ter voorkoming van dubbele belasting. Dat argument gaat echter niet op bij de Nederlandse extraterritoriale heffing van dividendbelasting ten laste van Nederlandsrechtelijke lichamen. In de vierde plaats stelt die onderworpenheid van het Nederlandse lichaam als binnenlands belastingplichtige niets voor: door de werking van de tie break in de BRK of in een toepasselijk belastingverdrag is een Nederlandsrechtelijk lichaam met feitelijke leiding in het andere land immers meestal nog meer (zeer) beperkt onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Uit HR 27 augustus 1997, BNB 1998/50, met noot Van der Geld, blijkt dat een dergelijk verplaatst lichaam zelfs voor vertaalresultaten (die in de feitelijke vestigingsstaat niet belast worden omdat zij aldaar niet bestaan) niet meer in Nederland belast kan worden. Deze nog maar zeer beperkte of feitelijk non-existente binnenlandse onderworpenheid is ook precies hetgeen de Staatssecretaris als rechtvaardiging aanvoert voor de weigering van woonplaatsverklaringen aan dergelijke lichamen, die hij in dat opzicht dus als gelijk ziet aan buitenlandsrechtelijke lichamen die feitelijk niet in Nederland gevestigd zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c, en de alinea staat in dat document op bytes 70445 tot 72906.