Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001
Alinea 158 Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0296.
8.21. Mijn voorkeur gaat uit naar rechterlijke terughoudendheid omdat ik meen dat het zoveel mogelijk aan de wetgever overgelaten moet worden om wettelijke regelingen die stammen uit een tijd waarin de wetgever zich de betekenis van art. 26 IVBPR nog niet realiseerde (of zelfs niet kon realiseren omdat die bepaling toen nog niet in werking was), alsnog zodanig in te richten als hij gedaan zou hebben, had hij zich de betekenis van die bepaling wel gerealiseerd. Dit geldt te meer in gevallen waarin opheffing van de ongelijke behandeling door de rechter er slechts toe kan leiden dat een ongerechtvaardigd voordeel niet weggenomen wordt, maar aan iedereen gegeven wordt. De invoering van art. 49, lid 4, Wet IB stamt van na de litigieuze jaren 1992 en 1993, zodat de wetgever zich kennelijk ook in 1992 en 1993 nog niet realiseerde dat hij vestigingsplaatsficties ook oprichtingsrechtneutraal kon formuleren. Men kan echter ook menen dat de wetgever maar een "operatie stofkam" had moeten uitvoeren nadat (met het Tandartsvrouwarrest(26) in 1989) duidelijk was geworden welke betekenis art. 26 IVBPR ook voor de belastingwetgeving en ook voor rechtspersonen had en de gehele belastingwetgeving had moeten doorzoeken op mogelijke schendingen van art. 26 IVBPR.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c, en de alinea staat in dat document op bytes 95042 tot 96317.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c | shasum -a 256