Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001

Alinea 161 Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0296.

8.24. Ik meen dat in die benadering de naheffingsaanslagen gehandhaafd moeten worden onder constatering van een schending van art. 26 IVBPR en dat aan de belanghebbende ondanks die schending geen schadevergoeding toekomt, omdat hij geen schade geleden heeft. Ik baseer dat op de aannemelijkheid van de veronderstelling dat als de wetgever zich gerealiseerd had dat art. 1, lid 3, Divb. in conflict komt met art. 26 IVBPR, hij gevallen als dat van de belanghebbende niet ontheven zou hebben van inhoudingsplicht, maar omgekeerd de vergelijkbare gevallen (de buitenlandsrechtelijke lichamen) juist ook onder de inhoudingsplicht gebracht zou hebben. U vergelijke punt 4 van het - in enigszins ander verband gehouden - betoog van annotator Bloembergen onder drie van uw non-discriminatiearresten (autokostenfictie, arbeidskostenforfait en grijze kentekens) in NJ 2000, 170:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c, en de alinea staat in dat document op bytes 101096 tot 101978.