Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001

Alinea 81 Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 februari 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0296.

4.10. Ook deze passages steunen de opvatting van de belanghebbende niet. Had art. 34, lid 2, werking erga omnes gehad, dan zouden de vanuit de Kamer gestelde vragen afgedaan zijn met verwijzing naar die werking. De regering nam echter integendeel juist aan dat Nederland in de gegeven situatie (het dividend wordt uitgekeerd door een formeel in Nederland maar feitelijk op de Antillen gevestigde BV aan een genieter op de Antillen) wèl dividenbelasting zou kunnen heffen op grond van art. 1, lid 3, Divb, en stelde daarom bij Nota van Wijzigingen toevoeging voor van de tweede volzin aan art. 34, lid 2, BRK. Art. 1, lid 3, Divb. werd dus in de beleving van de regering in de gegeven casuspositie niet buiten werking gesteld door de eerste volzin van art. 34, lid 2. Juist omdat de eerste volzin geen extra-Rijkswettelijke werking heeft, is toevoeging van de tweede volzin echter zinloos (zie hierboven, 3.3), maar daar gaat het thans niet om.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3bb560ef7fa4951e027f116d31f34fa953266e2f77533966067f2e3c154d874c, en de alinea staat in dat document op bytes 37165 tot 38123.