Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001

Alinea 52 Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0379.

Deze klacht mist feitelijke grondslag. Weliswaar oordeelt het hof in r.o. 4.14 dat de formulering van de onderhavige contractsbepalingen(2) in onderling verband bezien op dit punt niets aan duidelijkheid te wensen overlaat, maar dit betekent niet dat het hof de Haviltex-maatstaf heeft miskend. In r.o. 4.15 oordeelt het hof immers dat er geen aanleiding is voor de veronderstelling dat partijen in de gegeven omstandigheden over en weer in redelijkheid een beperktere zin aan die bepaling hebben willen toekennen of dat zij dit van elkaar mochten verwachten. In r.o. 4.15 en 4.16 licht het hof dit oordeel toe door argumenten die KNP voor een dergelijke beperktere uitleg heeft aangevoerd te bespreken. Het stond het hof vrij om bij de beoordeling van de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, rekening te houden met zijn oordeel dat de formulering van de contractsbepalingen in onderling verband bezien niets aan duidelijkheid te wensen overlaten. Zie omtrent de verhouding tussen de bewoordingen van een overeenkomst en de Haviltex-formule HR 9 december 1994, NJ 1995, 197; HR 11 juni 1999, NJ 1999, 750 en HR 29 oktober 1999, NJ 1999, 823.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f631029d2930a084c8b8a9494e55af994d0680d76ae398385f4476e607c0d247. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f631029d2930a084c8b8a9494e55af994d0680d76ae398385f4476e607c0d247, en de alinea staat in dat document op bytes 21165 tot 22459.