Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001

Alinea 27 Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0380.

6. Centraal in het middel staat de klacht dat het Hof, zo nodig ambtshalve, zich onbevoegd had behoren te verklaren van de onderhavige vorderingen kennis te nemen, aangezien deze vorderingen betrekking hebben op de besluitvorming binnen een in Frankrijk gevestigde vennootschap, zodat ingevolge art. 16 lid 2 van het in deze toepasselijke EEX de gerechten in Frankrijk bij uitsluiting bevoegd zijn (onderdeel 1). Voor zover het Hof zich bevoegd heeft geacht op grond van art. 24 EEX, heeft het Hof miskend dat de onderhavige vorderingen, hoezeer ook in kort geding ingesteld, niet zijn te beschouwen als "voorlopige of bewarende maatregelen" in de zin van dat artikel, terwijl bovendien niet voldaan is aan de voorwaarde dat er een reële band bestaat tussen het voorwerp van de gevorderde maatregel en de op territoriale criteria gebaseerde bevoegdheid van de verdragsluitende staat van de aangezochte rechter (onderdeel 3). In ieder geval is 's Hofs arrest niet naar de eis der wet met redenen omkleed, omdat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op de vraag naar zijn bevoegdheid, aldus het middel (onderdelen 2 en 4).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6df608399ae11a3e8401845bc8574f123adb494f4467f7d811bf32006228bcea. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6df608399ae11a3e8401845bc8574f123adb494f4467f7d811bf32006228bcea, en de alinea staat in dat document op bytes 11087 tot 12222.