Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001
Alinea 64 Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0382.
3.3 Onderdeel a klaagt - aldus opgevat - erover dat onduidelijk is welke maatstaf het hof ter verdeling van het onverteerd gebleven inkomen heeft gehanteerd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het hof heeft in zijn eindbeschikking, gelezen tegen de achtergrond van rov. 6 van zijn tussenbeschikking, tot uitdrukking gebracht dat het gehele vermogen van partijen moet worden beschouwd als te zijn voortgekomen uit overgespaarde inkomsten, zodat ook dat gehele vermogen in beginsel voor verdeling in aanmerking komt. Vervolgens oordeelde het hof in het kader van de waardering van de aldus te verdelen vermogensbestanddelen, dat de vrouw wat betreft de waarde van de aandelen niet méér dient te krijgen, dan de man met behulp van het bedrijfsvermogen kan financieren.(27) Daarbij nam het hof tot uitgangspunt dat van de man niet kan worden gevergd dat hij zijn bedrijf liquideert, omdat hij daarvan voor zijn broodwinning afhankelijk is. Het hof heeft zijn uitgangspunten aldus duidelijk verwoord.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d944df858bbf0f4d5b76a393698642f14044f1454bfcd8d27d3f94fac2b60d46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d944df858bbf0f4d5b76a393698642f14044f1454bfcd8d27d3f94fac2b60d46, en de alinea staat in dat document op bytes 25276 tot 26292.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/d944df858bbf0f4d5b76a393698642f14044f1454bfcd8d27d3f94fac2b60d46 | shasum -a 256