Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001

Alinea 71 Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0382.

3.7 Het is echter de vraag of het ontbreken van een dergelijke compenserende maatregel, als daarom zou zijn gevraagd, de keuze van de rentabiliteitswaarde als maatstaf voor de verrekening inderdaad onbegrijpelijk zou maken. Men kán verdedigen dat dit in de specifieke omstandigheden van het gegeven geval, waarin de gehele onderneming met overgespaard inkomen is opgebouwd, inderdaad zo zou zijn. Van belang zijn dan met name het feit (i) dat de liquidatiewaarde van de onderneming door de deskundige - op zichzelf onbestreden - op een bedrag is gesteld dat, afgerond, twee keer zo hoog is als de rentabiliteitswaarde daarvan (omdat de waarde van het vissersschip en de viscontingenten hoog is in vergelijking met het rendement van de onderneming), in samenhang met de omstandigheid (ii) dat de man overweegt binnen de (betrekkelijk korte) termijn van vijf tot zes jaren met zijn werkzaamheden te stoppen(28), waarna verkoop en/of liquidatie van de onderneming onvermijdelijk zal zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d944df858bbf0f4d5b76a393698642f14044f1454bfcd8d27d3f94fac2b60d46. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d944df858bbf0f4d5b76a393698642f14044f1454bfcd8d27d3f94fac2b60d46, en de alinea staat in dat document op bytes 28915 tot 29914.