Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001
Alinea 32 Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0384.
2.14. Tot 2 juli 1997 bepaalde art. 10 lid 4 Wet Bopz, dat de geldigheidsduur van een voorlopige machtiging ingaat na de dag waarop de betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis is opgenomen. Als dát in deze zaak de maatstaf zou zijn geweest, zou onderdeel II gegrond zijn. Vanwege verschil van mening over de vraag of, in gevallen waarin aan de voorlopige machtiging een inbewaringstelling is voorafgegaan, de geldigheidsduur gerekend moet worden vanaf de tenuitvoerlegging van de inbewaringstelling dan wel vanaf de tenuitvoerlegging van de voorlopige machtiging(10), is deze bepaling bij wet van 10 april 1997 Stb. 271 gewijzigd. Thans bepaalt art. 10 lid 4 dat de voorlopige machtiging een geldigheidsduur heeft van ten hoogste zes maanden na haar dagtekening, onverminderd het bepaalde in art. 48 en 49 Wet Bopz. De rechtbank heeft de nieuwe bepaling toegepast en mógen toepassen. Ook bij machtigingen tot voortgezet verblijf (art. 17 lid 3) en tot voortzetting van de inbewaringstelling (art. 30) wordt de geldigheidsduur gerekend vanaf de dagtekening van de beschikking.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1ab2b25e02336378cd2c704bd18564073757b1142b44a926ebd7cc0508b8209a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1ab2b25e02336378cd2c704bd18564073757b1142b44a926ebd7cc0508b8209a, en de alinea staat in dat document op bytes 19675 tot 20768.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1ab2b25e02336378cd2c704bd18564073757b1142b44a926ebd7cc0508b8209a | shasum -a 256