Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2001

Alinea 30 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0494.

11. In voornoemde zaak was de casus de volgende. De opgeëiste persoon werd verdacht van betrokkenheid bij de onderhandelingen over de levering van een partij heroïne. Hij heeft een monster van die heroïne aan de (pseudo)koper verstrekt. Daarna heeft hij de rest van de partij die zich in dozen in de kofferbak van een auto bevond aan de (pseudo)koper aangeboden, niet wetende dat de politie de heroïne ondertussen uit die dozen had gehaald. Uw Raad oordeelde in het kader van het vraagstuk van de dubbele strafbaarheid dat het oordeel van de rechtbank dat het verstrekken van het monster een overtreding van een in art. 2, eerste lid aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod oplevert en dat de overige gedragingen - waaronder dus het aanbieden van de dozen - strafbaar zijn gesteld in art. 10a Opiumwet geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1c708bd2b7ad664514a2e9c1ff101dba0dee9d6c6991fdd39d680c920d4853c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1c708bd2b7ad664514a2e9c1ff101dba0dee9d6c6991fdd39d680c920d4853c4, en de alinea staat in dat document op bytes 13227 tot 14105.