Citaat | Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2001

Alinea 52 Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 13 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0494.

23. 's Hofs daaraan ten grondslag liggende oordeel dat de enkele omstandigheid dat bewijs is vergaard door samenwerking tussen Nederlandse politie-instanties en die van enig ander land in beginsel niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Gelet daarop en in aanmerking genomen de door de raadsman voor het horen van [betrokkene C] en [betrokkene D] opgegeven redenen, te weten dat hij [betrokkene C] vragen wenst te stellen over een overeenkomst die tussen Nederland en Turkije zou zijn gesloten op het gebied van samenwerking in de opsporing en dat hij [betrokkene D] als getuige wil horen omdat deze zou hebben deelgenomen aan een bespreking over de samenwerking tussen Nederlandse en Turkse autoriteiten, is de afwijzing van het verzoek genoemde personen als getuigen te horen ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk (vgl. ook HR 18 mei 1999, NJ 2000, 108 m.nt. Sch in welke zaak in soortgelijk verband werd geklaagd over de afwijzing van het verzoek [betrokkene C] en [betrokkene D] als getuigen te horen).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1c708bd2b7ad664514a2e9c1ff101dba0dee9d6c6991fdd39d680c920d4853c4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1c708bd2b7ad664514a2e9c1ff101dba0dee9d6c6991fdd39d680c920d4853c4, en de alinea staat in dat document op bytes 26609 tot 27743.