Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2001
Alinea 100 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0518.
8.2. Laatstbedoelde klacht dwingt ons ertoe na te gaan hoe het Hof de meer subsidiaire stelling van de Inspecteur precies heeft verstaan. Uit de punten 4.2.2., 5.5. en 5.6. in onderlinge samenhang leid ik af dat volgens het Hof deze stelling in wezen inhield (i) dat belanghebbende onzakelijk - niet in de sfeer van haar onderneming - heeft gehandeld door de additionele pensioenverplichtingen op zich te nemen zonder daarvoor de BV een koopsom of premies in rekening te brengen, en (ii) dat hierbij betekenis toekomt aan de omstandigheid dat - naar de Inspecteur meent - de pensioenaanspraken van de bestuurders in 1992 zodanig zijn verbeterd dat deze niet langer zijn aan te merken als pensioenaanspraken in de zin van de Wet LB 1964 en reeds de BV bij de toekenning van de extra rechten onzakelijk heeft gehandeld. Deze uitleg van het standpunt van de Inspecteur acht ik - anders dan het middel kennelijk - niet onbegrijpelijk.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bdffc5a87280c01944ec2d8ce1b27084e320c2f8b440eee0616f7ae9b201f06. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bdffc5a87280c01944ec2d8ce1b27084e320c2f8b440eee0616f7ae9b201f06, en de alinea staat in dat document op bytes 37898 tot 38841.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0bdffc5a87280c01944ec2d8ce1b27084e320c2f8b440eee0616f7ae9b201f06 | shasum -a 256