Citaat | Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2001
Alinea 59 Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 14 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0518.
2.9. Zouden de r.o. 5.2. en 5.3. feitelijke vaststellingen van het Hof behelzen, zoals hun bewoordingen suggereren, dan bevat de uitspraak mijns inziens een in het oog springende tegenstrijdigheid. Ik kan mij nauwelijks voorstellen dat het Hof dit zou zijn ontgaan. Het komt mij daarom waarschijnlijker voor dat de r.o. 5.2. en 5.3. zo moeten worden opgevat, dat het Hof in beide overwegingen is uitgegaan van hypothetische feitelijke situaties. Vermoedelijk is de gedachtegang geweest, eenvoudig gezegd: ofwel heeft belanghebbende een lening verschaft, maar dan heeft zij onzakelijk gehandeld, ofwel heeft belanghebbende een premierestitutie gegeven, doch dan had zij deze ten laste moeten brengen van een voorziening in de openingsbalans. Tegen een dergelijke redenering zie ik geen onoverkomelijk bezwaar. Zij brengt echter wel mee dat vernietiging van de uitspraak zou moeten volgen indien een cassatieklacht tegen één van beide onderdelen (alternatieven) doel zou treffen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bdffc5a87280c01944ec2d8ce1b27084e320c2f8b440eee0616f7ae9b201f06. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bdffc5a87280c01944ec2d8ce1b27084e320c2f8b440eee0616f7ae9b201f06, en de alinea staat in dat document op bytes 20980 tot 21974.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/0bdffc5a87280c01944ec2d8ce1b27084e320c2f8b440eee0616f7ae9b201f06 | shasum -a 256