Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2001

Alinea 36 Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0607.

9. Bij beoordeling van de nu naar voren gebrachte klacht zal vooropgesteld moeten worden dat het aan de feitenrechter is voorbehouden te beoordelen welk bewijsmateriaal in wettige vorm voor het bewijs dienstig en voldoende betrouwbaar voorkomt, en welk ander bewijsmateriaal, als zijnde niet ter zake of niet overtuigend, ter zijde gesteld dient te worden, terwijl dat oordeel in beginsel geen andere motivering vergt dan besloten ligt in de gebezigde bewijsmiddelen. Op dit uitgangspunt bestaan enkele uitzonderingen, zowel in de wet voorzien als in de rechtspraak tot ontwikkeling gebracht, die tot nadere motivering nopen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f57d168942eccd282ce1c3f63574f2c0520f155d950f0e0a128c241dd1a7b02e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f57d168942eccd282ce1c3f63574f2c0520f155d950f0e0a128c241dd1a7b02e, en de alinea staat in dat document op bytes 10851 tot 11490.