Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2001

Alinea 40 Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0607.

In dit opzicht kan ’s Hofs overweging echter in redelijkheid niet anders worden gelezen dan aldus dat de verklaring van verzoeker omtrent zulke handelingen (die op medeplichtigheid zouden wijzen) heeft afgelegd nadat hij op zijn erkenning van daderschap was teruggekomen naar de inhoud bezien ongeloofwaardig is bevonden omdat hij de namen van degenen, aan wie hij de voorwerpen zou hebben afgeleverd niet heeft willen noemen en, daarnaast, omdat onaannemelijk is dat verzoeker als beloning een zo groot bedrag zou hebben gekregen als in zijn bezit bleek te zijn. Een miskenning van de omstandigheid dat reeds in verzoekers verklaring van 16 oktober 1998 het afleveren van de voorwerpen tegen een beloning is te vinden kan in de overweging niet worden gezien. In zoverre berust het middel op verkeerde lezing van het arrest, zodat het feitelijke grondslag ontbeert.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f57d168942eccd282ce1c3f63574f2c0520f155d950f0e0a128c241dd1a7b02e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f57d168942eccd282ce1c3f63574f2c0520f155d950f0e0a128c241dd1a7b02e, en de alinea staat in dat document op bytes 12950 tot 13830.