Citaat | Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2001

Alinea 151 Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 21 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0630.

"Neem het geval eener holding, die houdster is van alle aandeelen van vier andere naamloze vennootschappen, A, B, C en D. In een zeker jaar maakt slechts A een redelijke winst, terwijl B, C en D elk met een verlies afsluiten, welke verliezen samen grooter zijn dan de winst van A. De holding moet dan geacht worden verlies te hebben geleden, maar niettemin wordt A voor het volle pond in de winstbelasting aangeslagen. Het onderbrengen van ondernemingen in moeder- en dochter maatschappijen is uit den aard der zaak bedoeld ter verdeeling van risico's, een zeer gezond beginsel in het bedrijfsleven. Het is te betreuren, dat het wetsontwerp hiermede geen rekening heeft gehouden en het zou dan ook geen overbodige weelde zijn om aan holding-maatschappijen van het type der moedermaatschappij, die alle aandelen van dochtermaatschappijen bezit, de mogelijkheid te verschaffen om bij toepassing der winstbelasting als één geheel met de dochterondernemingen te worden beschouwd."

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/157b710f052e7341bcd78b25995246466ab8323fc9600bc7675f4242c26dedaa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 157b710f052e7341bcd78b25995246466ab8323fc9600bc7675f4242c26dedaa, en de alinea staat in dat document op bytes 51695 tot 52686.