Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2001

Alinea 110 Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0700.

4.2 Het onderdeel faalt reeds omdat het Hof de daarin gepropageerde maatstaf in feite heeft gehanteerd. In rov. 5.5 derde alinea heeft het benadrukt dat sprake is van toondervorderingen doordien niet moet worden gekeken naar de "concrete obligatiehouder". Vervolgens schuift het Hof de oplettende belegger naar voren. Uit de volgende alinea valt op te maken dat het college relevant acht wat deze uit de prospectus als geheel kan afleiden. In rov. 5.7 heeft het Hof een en ander nader uitgewerkt; dat geldt heel in het bijzonder voor de onder (in de hiervoor sub 2.24 genoemde nummering) 5, 7 en 8 gememoreerde omstandigheden. Onder 4.6 ga ik ten overvloede nader op deze kwestie in.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/10d426468016d984b1913333c129dd1250fce8d02e8193ea8318ff9f05fb8e03. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 10d426468016d984b1913333c129dd1250fce8d02e8193ea8318ff9f05fb8e03, en de alinea staat in dat document op bytes 36296 tot 36993.