Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2001

Alinea 13 Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0740.

Naar het oordeel van het hof verschilt de positie van de verdachte, waar het betreft het aantrekken van gelden, in beginsel niet van die van banken en dergelijke instellingen. Daar zoals hier vertrouwen particulieren (crediteuren) hun salarissen en andere inkomsten door overmaking toe aan de instelling, in de verwachting dat deze vervolgens -na tevoren door de klant gegeven (periodieke) opdrachten- betalingen uit het door die salarisgelden etc. opgebouwde tegoed zal verrichten aan schuldeisers. Om die activiteit, die anders dan bijv. bij advocaten en notarissen niet bijkomstig is en ook niet anderszins onder overheidstoezicht staat, wettig te kunnen verrichten, dient aan de eisen, gesteld in artikel 82, leden 2 en 3, van de wet te worden voldaan, hetgeen -naar ter terechtzitting is gebleken- voor de verdachte niet het geval is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9897b8d20f1c134dde0ba77c830bc746eacff36a9ef68a7813d83056f170dcfa. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9897b8d20f1c134dde0ba77c830bc746eacff36a9ef68a7813d83056f170dcfa, en de alinea staat in dat document op bytes 6186 tot 7038.