Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001

Alinea 43 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0803.

Naar mijn oordeel moet worden geconcludeerd dat de Gemeente zich terecht erop heeft beroepen dat de vervroegde aflossing niet als onverschuldigde betaling kon gelden. Zowel naar oud recht (de aflossing vond plaats onder vigeur van het oude recht) als naar huidig recht geldt dat betaling vóór de vervaldag niet geldt als onverschuldigd; zie art. 1305 (oud) BW en art. 6:39 lid 2 BW. Zowel naar oud als naar huidig recht moet worden aangenomen dat deze regel niet alleen geldt indien de schuldenaar wist dat de termijn nog niet was verstreken en in zoverre doelbewust vóór de vervaldag betaalde, maar ook indien de schuldenaar in de veronderstelling verkeerde dat de schuld reeds opeisbaar was. Zie Asser-Rutten I, 1978, p. 116 en Asser-Hartkamp I, 2000, nr. 238, waar wordt verwezen naar de parlementaire geschiedenis bij art. 6:39 BW. In de MvA II Inv. wordt de in de MvA II gemaakte opmerking verduidelijkt dat bij een betaling vóór de vervaldag die niet als onverschuldigd kan gelden, wel een actie uit ongerechtvaardigde verrijking op haar plaats kan zijn. Opgemerkt wordt dat zich gevallen kunnen voordoen waarin een zodanige vervroegde voldoening tot een ongerechtvaardigde verrijking van de schuldeiser leidt, bij voorbeeld ingeval de schuldenaar handelt zonder dat hij de tijdsbepaling kende of behoorde te kennen. Benadrukt wordt dat het hier uitsluitend gaat om verrijking in de vorm van bijkomende voordelen die door de betaling ontstaan, niet om de "verrijking" met het betaalde bedrag zelf. In de MvA II wordt eraan herinnerd dat in de TM terecht is opgemerkt dat - vanzelfsprekend - de omstandigheden waaronder de voortijdige betaling plaatsvond van dien aard kunnen zijn dat de schuldenaar een vordering tot vergoeding van zijn schade wél op een onrechtmatige daad van de schuldeiser kan baseren en dat dit met name het geval zal zijn als de schuldeiser hem door bedrog in de waan heeft gebracht dat zijn vordering reeds opeisbaar was. (Zie Parl. Gesch. Inv. Boek 6, p. 1223 en 1224 en Parl. Gesch. Boek 6, p. 172.) De vordering van de Woningstichting uit onverschuldigde betaling strekt echter ertoe - zoals de Rechtbank in rechtsoverweging 4.3 ook heeft vastgesteld - dat de vervroegde aflossing van de litigieuze leningen wordt teruggedraaid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/126afb9ca3f758b4d61b36abe03ddebcd9ca22cb09c1af46181b2b8e6f8a2f61. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 126afb9ca3f758b4d61b36abe03ddebcd9ca22cb09c1af46181b2b8e6f8a2f61, en de alinea staat in dat document op bytes 24434 tot 26714.