Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001

Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0804.

5.5 [Eiser] heeft echter van zijn kant gesteld dat de bankopnamen met behulp van schriftelijke stukken naar behoren verantwoord konden worden, in die zin dat uit die stukken kon blijken dat de door hem opgenomen gelden ten goede van SUSH gekomen zijn. De bewuste stukken zijn echter volgens hem op 26 april 1990 verdwenen. Hoewel het bevreemding wekt dat de omstreden opnamen niet (reeds) verwerkt waren in de boekhouding van SUSH (...) brengt die laatste omstandigheid op zichzelf nog niet mee dat [eiser] wanprestatie kan worden verweten. Zou komen vast te staan, dat [eiser] over zodanige administratie beschikte dat hij de bankopnamen met behulp daarvan naar behoren zou hebben kunnen verantwoorden in die zin dat daaruit kon blijken dat de door hem opgenomen gelden ten goede van SUSH gekomen zijn, dan is er geen sprake van wanprestatie ten opzichte van SUSH.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ff6a1491c48233735f413caabfddf872167e8648f374c28fda5a7837d69205c9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ff6a1491c48233735f413caabfddf872167e8648f374c28fda5a7837d69205c9, en de alinea staat in dat document op bytes 10963 tot 11841.