Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001

Alinea 51 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0806.

19. De eerstbedoelde stelling vindt geen steun in de gedingstukken. [Verweerder] heeft in hoger beroep alsnog een cijfermatige onderbouwing van zijn standpunt gegeven (zie zijn Toelichting d.d. 22 januari 1999, onder 5). Dat [verweerder] tot deze aanvulling van zijn stellingen niet bevoegd was, wordt door het middel niet aangevoerd. Ook de tweede stelling kan de klacht naar mijn oordeel niet dragen. De Rechtbank heeft kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de vaststelling van de premieverplichting van [verweerder] niet afhankelijk is van de vraag of de door [verweerder] gekozen constructie bedrijfseconomisch al dan niet verantwoord is, maar van de vraag wat, in vergelijking met zijn intramuraal werkende collega's, bij de gekozen constructie voor de premievaststelling als zijn inkomen kan gelden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/72d01025f821726e4b818e55b678d656d58472b1e582002a5eba06506b5e04be. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 72d01025f821726e4b818e55b678d656d58472b1e582002a5eba06506b5e04be, en de alinea staat in dat document op bytes 24741 tot 25571.