Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 maart 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0806.

24. In deze klacht kan ik het onderdeel evenmin volgen. De Rechtbank heeft in die slotzin, gezien de samenhang tussen r.o. 11.2 en 11.3, kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat, indien inderdaad komt vast te staan dat het honorarium van [verweerder] dat door het Pensioenfonds als grondslag is genomen voor de premievaststelling voor een substantieel deel moet worden gecorrigeerd, daarin reeds voldoende reden gevonden zou kunnen worden om te beslissen dat het Pensioenfonds in redelijkheid niet tot haar beslissing had kunnen komen zonder een correctie op het punt van de neventarieven/kosten. Als redengeving voor het oordeel dat, alvorens verder kan worden beslist, een deskundigenonderzoek naar de kwestie van de neventarieven noodzakelijk is, is deze overweging niet onbegrijpelijk of onduidelijk.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/72d01025f821726e4b818e55b678d656d58472b1e582002a5eba06506b5e04be. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 72d01025f821726e4b818e55b678d656d58472b1e582002a5eba06506b5e04be, en de alinea staat in dat document op bytes 27639 tot 28460.