Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001

Alinea 129 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0900.

4.20.4 In beide onder 4.20.3 genoemde scenario's komt het aan op de "achterliggende feiten". Hoewel degene die zich op verjaring beroept in beginsel feiten en omstandigheden zal moeten bewijzen die zijn beroep schragen, heeft hij in situaties als zojuist bedoeld zoveel materiaal aangedragen dat de rechter deze feiten en omstandigheden plausibel acht. Het ligt dan op de weg van de benadeelde om "tegenbewijs" te leveren. Te weten van feiten die meebrengen dat hij, ondanks de schijn van het tegendeel, kort gezegd in werkelijkheid niet wist dat sprake was van schade (een beroepsziekte) waarvoor een ander aansprakelijk is (omdat zij is opgelopen tijdens de werkzaamheden en de werkgever is tekortgeschoten in de zin van art. 7:658 lid 1 BW).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc400cc1a47173beeb9c0b2e2ec5fbd64ac7c93402b32f22cc620a50a315971d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc400cc1a47173beeb9c0b2e2ec5fbd64ac7c93402b32f22cc620a50a315971d, en de alinea staat in dat document op bytes 41665 tot 42422.