Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001

Alinea 201 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0900.

14 Verbintenissen uit de wet en schadevergoeding (2000) (Spier) nr 335; eender M. van Dort, TMA 1999 blz. 178 en F.J. Rutgers, TMA 1996 blz. 110; A.E. Dek, TMA 1998 blz. 150; vgl. J.G.A. Linssen en A.C. van Schaick, Advocatenblad 1992 blz. 318. Met name J.J. van Hees, NJB 1995 blz. 937 meent dat het onjuist is uit te gaan van de subjectieve bekendheid. Op zijn opvatting kom ik later nog terug. Een vorm van objectivering ligt ook besloten in HR 9 juni 1995, NJ 1995, 534. In dat arrest - dat betrekking heeft op een vordering tot vernietiging van een overeenkomst (waarop het oude recht van toepassing is) op grond van dwaling - neemt de Hoge Raad aan dat het aankomt op de vraag of degene die beroep doet op vernietiging de dwaling daadwerkelijk heeft ontdekt. 's Hofs oordeel wordt vervolgens aldus omgebouwd dat betrokkene "duidelijk heeft moeten zijn, en dus duidelijk was (...)" (rov. 3.3.1).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc400cc1a47173beeb9c0b2e2ec5fbd64ac7c93402b32f22cc620a50a315971d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc400cc1a47173beeb9c0b2e2ec5fbd64ac7c93402b32f22cc620a50a315971d, en de alinea staat in dat document op bytes 64753 tot 65667.