Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001
Alinea 60 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0900.
3.30 Vervolgens overweegt de Rechtbank dat de vraag of de vordering van [eiseres] is verjaard beoordeeld moet worden aan de hand van art. 3:310 lid 1 BW. De Rechtbank acht het, de stukken in aanmerking genomen, niet erg waarschijnlijk dat gedurende de periode waarin [betrokkene A] is behandeld geen van de betrokken artsen de moeite heeft genomen [betrokkene A] en [eiseres] in begrijpelijke bewoordingen te informeren over de kwaal waaraan [betrokkene A] leed (rov. 5.5.1 en 5.7.1).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc400cc1a47173beeb9c0b2e2ec5fbd64ac7c93402b32f22cc620a50a315971d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc400cc1a47173beeb9c0b2e2ec5fbd64ac7c93402b32f22cc620a50a315971d, en de alinea staat in dat document op bytes 22255 tot 22753.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fc400cc1a47173beeb9c0b2e2ec5fbd64ac7c93402b32f22cc620a50a315971d | shasum -a 256