Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001

Alinea 77 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0900.

4.4.1 De wetsgeschiedenis van art. 3:310 lid 1 BW(8) laat zich hierover niet uitdrukkelijk uit. Wel is in de MvT Inv. een aanwijzing te vinden dat het niet gaat om een objectief criterium. Immers wordt gesproken van de eisen van een vlot verlopend rechtsverkeer waarin schuldeisers hun vordering binnen redelijke termijn moeten instellen.(9) Duidelijk is dat zulks onmogelijk is zolang het bestaan der vordering niet bekend is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fc400cc1a47173beeb9c0b2e2ec5fbd64ac7c93402b32f22cc620a50a315971d. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fc400cc1a47173beeb9c0b2e2ec5fbd64ac7c93402b32f22cc620a50a315971d, en de alinea staat in dat document op bytes 26502 tot 26942.