Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001

Alinea 45 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0901.

In 1954 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat "al behoort de rechter in verband met het bepaalde bij art. 199 Rv rekenschap te geven van de redenen waarom aan het aanbod van een procespartij om bepaalde feiten door getuigen te bewijzen wordt voorbijgegaan, zodanige verplichting niet bestaat, indien degene die bewijs aanbiedt daarbij niet vermeldt, dat hij zich voorstelt dit bewijs door getuigen of mede door getuigen te leveren" (HR 5 februari 1954, NJ 1955, 399). Ik meen dat dit arrest is achterhaald. Het zou thans van onnodig formalisme getuigen als het hof op de enkele grond dat niet met zoveel is gezegd "door middel van getuigen", het bewijsaanbod zou kunnen passeren.(5) Bij het te beoordelen bewijsaanbod is immers moeilijk voorstelbaar hoe VNP anders dan door middel van getuigen haar stelling dat er mondelinge contacten waren geweest zou kunnen en willen bewijzen. Voor het overleggen van schriftelijke bewijsstukken had VNP inmiddels immers reeds de gelegenheid gehad en van die gelegenheid had zij ook gebruik gemaakt bij conclusie van repliek. Zie impliciet ook Losbl. Rv. (Kluwer), aant. 3, noot 2 bij art. 192. Ik ga er bij de bespreking van de klachten dan ook vanuit dat art. 192 Rv van toepassing is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e86995c9f79a9eab6c23bc61943b8e45f363e9962ff0ec9bc5490262c33d2e96. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e86995c9f79a9eab6c23bc61943b8e45f363e9962ff0ec9bc5490262c33d2e96, en de alinea staat in dat document op bytes 21289 tot 22522.