Citaat | Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001
Alinea 46 Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 6 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0901.
11) Volgens onderdeel 3 is onbegrijpelijk op welke grond het hof tot het oordeel kon komen dat van een onvoldoende concreet bewijsaanbod sprake was. Dit onderdeel slaagt naar mijn mening. Niet valt in te zien hoe VNP haar hierboven geciteerde bewijsaanbod in hoger beroep op het punt van de mondelinge contacten nader had moeten concretiseren, behalve als het hof het oog zou hebben gehad op het met name noemen van getuigen of het vermelden wat de getuigen zouden kunnen verklaren. De laatste eis kan echter niet aan een bewijsaanbod worden gesteld (zie HR 13 jan. 1978, NJ 1978, 302 en 21 juni 1991, NJ 1991, 726), terwijl het niet noemen van de namen van de getuigen m.i. wel in combinatie met andere omstandigheden, maar niet op zichzelf het oordeel kan dragen dat een bewijsaanbod onvoldoende concreet is; zie HR 6 nov. 1981, NJ 1982, 148; 15 okt. 1982, NJ 1983, 341; 29 mei 1998, NJ 1999, 98 m.nt. JBMV; en 19 juni 1998, NJ 1998, 777.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e86995c9f79a9eab6c23bc61943b8e45f363e9962ff0ec9bc5490262c33d2e96. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e86995c9f79a9eab6c23bc61943b8e45f363e9962ff0ec9bc5490262c33d2e96, en de alinea staat in dat document op bytes 22579 tot 23532.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e86995c9f79a9eab6c23bc61943b8e45f363e9962ff0ec9bc5490262c33d2e96 | shasum -a 256