Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2001
Alinea 48 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0990.
5.4. Vanuit Nederland bezien is er slechts een verschil in timing. In de filiaalsituatie worden de winsten en de kosten jaarlijks zowel binnen de generale winst als binnen de vrij te stellen vaste-inrichtingswinst gesaldeerd; in de dochtersituatie zijn de kosten elk jaar onaftrekbaar en komen dochters winsten pas tot (onbelaste) uitdrukking in Nederland als de dochter een winstuitkering doet, verkocht wordt of geliquideerd wordt. Er is ook een timingverschil indien het filiaal c.q. de dochter verlies maakt. Een verlies van een filiaal is rechtstreeks aftrekbaar binnen de generale winst; een verlies van een dochter is bij de moeder niet aftrekbaar (behalve door afwaardering van de deelneming, maar die valt onder de deelnemingsvrijstelling). Het dochterverlies valt slechts fiscaal relevant te nemen door liquidatie van de dochter. Het filiaalverlies moet weer ingelopen worden alvorens bij toekomstige winsten vrijstelling gegeven wordt (inhaalregeling), maar indien het filiaal geliquideerd wordt zonder winsten gemaakt te hebben, blijven de eerder van de generale winst afgetrokken kosten ten laste van de Nederlandse winst. Deze timingverschillen zijn een inherent gevolg van het verschil in rechtsvorm, van de niet-vereenzelvigbaarheid van een dochter met haar moeder tegenover de vereenzelvigbaarheid van een filiaal met zijn hoofdhuis. Nederland zou weliswaar ook het timingverschil kunnen wegnemen door een juridisch zelfstandige buitenlandse dochter fiscaalrechtelijk wel te vereenzelvigen met de binnenlandse moeder, dus door de 13lid1-kosten (net als bij een filiaal) wel in aftrek toe te laten en tegelijkertijd daartegenover (net als bij een filiaal) de dochterwinsten in de Nederlandse belastingheffing te betrekken door middel van CFC(13)-achtige wetgeving of door een grensoverschrijdende fiscale eenheid (fiscale transparantie van de buitenlandse dochter) aan te nemen om tenslotte (net als bij een filiaal) evenredige belastingvrijstelling te geven voor het buitenslands belastbare deel van de eenheidswinst, maar daartoe dwingt het EG-recht mijns inziens geenszins. De vestigingsvrijheid houdt niet in dat een oorsprongstaat geen enkel verschil zou mogen erkennen tussen buitenlandse filialen en buitenlandse dochters, mogelijk tenzij die oorsprongstaat ook in puur binnenlandse verhoudingen dochtervennootschappen volkomen zou vereenzelvigen met haar aandeelhouder(s) (quod non).
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7163f2cdc9da8a7edcaf878f099e792124183a811b5ecadb9d68e1cb6c44a8ee. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7163f2cdc9da8a7edcaf878f099e792124183a811b5ecadb9d68e1cb6c44a8ee, en de alinea staat in dat document op bytes 22037 tot 24458.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7163f2cdc9da8a7edcaf878f099e792124183a811b5ecadb9d68e1cb6c44a8ee | shasum -a 256