Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2001
Alinea 53 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0990.
6.2. De vraag rijst echter of een filiaal en een dochtervennootschap op het punt van de kosten van hun financiering binnen de doelstaatjurisdictie voldoende gelijk zijn om deze ongelijkheid in strijd te achten met de vestigingsvrijheid. Als het gaat om het recht op een fiscale behandeling volgens de belastingverdragen die de filiaalstaat heeft gesloten, acht het HvJ EG filialen (dus: niet-inwoners) voldoende vergelijkbaar met juridisch zelfstandige lokale vennootschappen (dus met inwoners) om de secundaire-vestigingsstaat gehouden te achten dezelfde voordelen aan filialen toe te kennen als hij bij Verdrag aan inwoners (dochtervennootschappen) toekent,(14) hoewel filialen, juist doordat zij niet zelfstandig zijn, maar onderdeel van een buitenlands gevestigd hoofdhuis, geen "inwoner" zijn voor de toepassing van de verdragen die de doelstaat heeft gesloten, maar (onderdeel van een) "inwoner" voor de toepassing van de verdragen die de hoofdhuisstaat heeft gesloten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7163f2cdc9da8a7edcaf878f099e792124183a811b5ecadb9d68e1cb6c44a8ee. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7163f2cdc9da8a7edcaf878f099e792124183a811b5ecadb9d68e1cb6c44a8ee, en de alinea staat in dat document op bytes 26720 tot 27708.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7163f2cdc9da8a7edcaf878f099e792124183a811b5ecadb9d68e1cb6c44a8ee | shasum -a 256