Citaat | Parket bij de Hoge Raad 11 april 2001
Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 11 april 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 11 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB0990.
6.5. In de genoemde eerdere arresten van het HvJ EG (zie 6.4) ging het steeds om een onderscheid tussen binnenlands en buitenlands belastingplichtigen, dus om een onderscheid naar vestigingsplaats en daarmee indirect naar nationaliteit. Daarvan is in casu geen sprake: het gaat om een onderscheid dat voortvloeit uit het wezen van de rechtspersoonlijkheid. Niet de dochter is de debiteur van de financieringskosten (zij heeft het geld niet zelf geleend; dat had ook gekund(22), maar is niet gebeurd), maar de moeder. De moederstaat kan de kosten niet bij de juiste persoon in aftrek brengen omdat die persoon (de dochter) niet aan zijn jurisdictie is onderworpen; de dochterstaat op zijn beurt ziet de financieringskosten niet omdat de debiteur (de moeder) niet aan zijn jurisdictie is onderworpen. Dat de debiteur in een andere jurisdictie zit dan de winst waaraan de financieringskosten eigenlijk moeten worden toegerekend, en dat de debiteurjurisdictie op grond van de fiscale coherentie (zie § 7) de kosten niet in aftrek toelaat, zou aanleiding kunnen zijn om door de juridische scheidswand van moeder en dochter heen, en over de jurisdictiegrens heen, de kosten fiscaal te verplaatsen van de debiteurjurisdictie naar de dochterjurisdictie, waar zij volgens een territoriaal juiste allocatie thuishoren, maar ik meen dat zulks niet bewerkstelligd kan worden met negatieve integratie, dus niet met een beroep op de EG-Verdragsvrijheden. Om een dergelijke interjurisdictioneel juiste kostenallocatie te bereiken, is mijns inziens positieve integratie (harmonisatie van nationale belastingwetgevingen door de EG-Raad) nodig. De OESO committee on fiscal affairs heeft het probleem van aandeelhouderskosten binnen een internationale groep van ondernemingen nooit kunnen oplossen.(23) Bij toerekening van kosten aan een filiaal in een andere jurisdictie dan het hoofdhuis, daarentegen, is geen sprake van piercing of corporate veils of van verschil tussen debiteurjurisdictie en allocatiejurisdictie: het filiaal is immers de debiteur, althans onderdeel van de debiteur, en de debiteur bevindt zich dus (mede) in de allocatiejurisdictie. De generale onderneming bevindt zich immers in beide jurisdicties (en zij ondervindt in beide jurisdicties volledige legal exposure). Die beide jurisdicties moeten de financieringsschuld (en de kosten daarvan) dan ook verdelen, liefst aan beide zijden van de grens met dezelfde criteria.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7163f2cdc9da8a7edcaf878f099e792124183a811b5ecadb9d68e1cb6c44a8ee. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7163f2cdc9da8a7edcaf878f099e792124183a811b5ecadb9d68e1cb6c44a8ee, en de alinea staat in dat document op bytes 32534 tot 34973.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7163f2cdc9da8a7edcaf878f099e792124183a811b5ecadb9d68e1cb6c44a8ee | shasum -a 256