Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 april 2001

Alinea 62 Parket bij de Hoge Raad 20 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1201.

15. Het Hof is, zoals gezegd, tot de slotsom is gekomen dat alle gegevens in onderlinge samenhang bezien tot de conclusie leiden dat er geen gegronde aanwijzingen bestaan dat erflater ten tijde van het verlijden van het testament wilsonbekwaam was. Het Hof heeft uitvoerig gemotiveerd waarom uit het communicatie-advies en de daarbij behorende verslagen naar zijn oordeel niet kan worden afgeleid dat de erflater zijn wil niet zou hebben kunnen bepalen en uiten, mede in aanmerking genomen dat erflater niet pas op of kort voor de datum waarop het testament is verleden op het denkbeeld is gebracht of gekomen om een testament te maken nu het testament is opgemaakt conform een acht maanden eerder aan erflater overeenkomstig zijn destijds geuite wensen opgemaakt concept. Dat oordeel is voorbehouden aan het Hof, verweven als het is met waarderingen van feitelijke aard; onbegrijpelijk acht ik het niet, ook niet in het licht van het rapport Van Strien waaraan het Hof niet was gebonden. Daarbij neem ik in aanmerking dat middelonderdeel 5 met zijn klachten tegen - kort gezegd - 's Hofs overwegingen omtrent het concept-testament faalt. Het Hof behoefde dan ook - anders dan het middel stelt - in bedoeld communicatie-advies geen grond te zien voor twijfel aan de juistheid van de inhoud van het schrijven van de notaris d.d. 24 mei 1996. Hetzelfde geldt ten aanzien van de beschrijving in het testament van de door de notaris op de voet van art. 4:986 BW gevolgde procedure. Het middel ziet voorts eraan voorbij dat de instrumenterende notaris wel degelijk in staat moet worden geacht in gevallen als het onderhavige een zinvol oordeel te geven over de vraag of communicatieproblemen daadwerkelijk in de weg staan aan het tot uiting brengen van de wil en dat hij wel degelijk iets zinvols kan zeggen over de mogelijkheid van de testateur zijn wil te bepalen al kan hij niet als deskundige gelden op het gebied van de beoordeling van de geestesvermogens van de testateur. (Zie Asser-Van der Ploeg-Perrick, Erfrecht (1998) p. 82/83 noot 79a met verwijzing naar Santen, WPNR 5717 (1984).) De enkele omstandigheid dat de notaris in het door het middel bedoelde belang bij zijn schriftelijke verklaring kan hebben, behoefde het Hof niet ervan te weerhouden aan die verklaring geloof te hechten. De klacht dat het Hof in zijn overwegingen had moeten betrekken dat de notaris geen gebruik heeft gemaakt van alternatieve communicatiemiddelen mist feitelijke grondslag. Er is immers niets komen vast te staan over de wijze van communiceren tussen notaris en erflater.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/720a4db6a118663da38935baee01a6adf628cb9d067efb6d897c99ffb3cb8537. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 720a4db6a118663da38935baee01a6adf628cb9d067efb6d897c99ffb3cb8537, en de alinea staat in dat document op bytes 37560 tot 40135.