Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 april 2001

Alinea 59 Parket bij de Hoge Raad 20 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1202.

2.9 De Staat heeft de grieven bestreden en voorwaardelijk incidenteel geappelleerd. Volgens de Staat doet zich in casu een uitzonderingssituatie voor zodat toch aan het relativiteitsvereiste is voldaan (mva onder 3.11). De Staat stelt hiertoe in de eerste plaats dat HCH-houdend afval terecht is gekomen in voormalige ontgrondingen of stortplaatsen. De hiervoor afgegeven vergunningen op grond van de Ontgrondingenwet en Hinderwet bevatten een verbod tot het storten van afval. Aldus wist Akzo, althans had zij behoren te beseffen, dat de overheid stortplaatsen op kosten van de vergunninghouder zou gaan saneren (onder 3.12-3.15). In de tweede plaats betoogt de Staat dat Akzo bekend was met de gevaren voor mens en milieu van de stort van HCH-houdende afvalstoffen. Deze stoffen zijn zo giftig dat duidelijk was dat verontreiniging met deze stoffen de overheid zou nopen tot sanering. De Staat wijst er in dat verband op dat sprake was van afvalstoffen van de productie van bestrijdingsmiddelen (onder 3.16/3.18). De Staat bestrijdt dat het aankomt op bewustheid met het specifieke gevaar van bodemverontreinging (mvg onder 9.2), waarbij hij aantekent dat deze specifieke bekendheid bij Akzo wél aanwezig was of behoorde te zijn (idem 9.3).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8dc7d70a70f3ae485f6d0357554c0449f765eca7722db7620fe4d55ef7e3a99b. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8dc7d70a70f3ae485f6d0357554c0449f765eca7722db7620fe4d55ef7e3a99b, en de alinea staat in dat document op bytes 15896 tot 17152.