Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 april 2001
Alinea 24 Parket bij de Hoge Raad 20 april 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1208.
Bij de invoering van het nieuwe BW zijn twee soorten verjaringstermijnen in het algemene vermogensrecht opgenomen, de lange en de korte. De lange verjaringstermijn bedraagt in de regel twintig jaar en vangt aan na een gebeurtenis die onafhankelijk is van omstandigheden aan de zijde van de schuldeiser. De korte verjaringstermijn bedraagt vijf jaar en begint te lopen als de schuldeiser met het mogelijke bestaan van zijn vordering bekend is geworden. Beide termijnen komen voor in de hier relevante artt. 3:310 en 3:311 BW. In de literatuur en lagere rechtspraak is de vraag aan de orde of dit criterium "bekend is geworden" louter subjectief moet worden opgevat (dat wil zeggen of het erom gaat dat degene die zich op verjaring beroept kan bewijzen dat de schuldeiser daadwerkelijk wist van de relevante feiten) of dat er ruimte is voor een zekere objectivering en zo ja, hoever die dan gaat. Dit is de eerste maal dat de Hoge Raad zich over deze kwestie moet buigen. De discussie over de vraag hoe dit criterium dient te worden opgevat is voornamelijk gevoerd met betrekking tot art. 3:310 BW. Het komt mij voor dat het begrip in art. 3:311 in gelijke zin wordt gehanteerd, zodat de discussie over art. 3:310 relevant is voor de uitleg van art. 3:311.(3)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/25da41da81ebfcb16955c4ae64f0264cd3002e38f3f4072a3dac0fe90b95ef3c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 25da41da81ebfcb16955c4ae64f0264cd3002e38f3f4072a3dac0fe90b95ef3c, en de alinea staat in dat document op bytes 12789 tot 14059.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/25da41da81ebfcb16955c4ae64f0264cd3002e38f3f4072a3dac0fe90b95ef3c | shasum -a 256