Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 april 2001

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 17 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1272.

5.4. Het eerste onderdeel van het middel legt de vinger op een zere plek. Inderdaad is het enkele feit dat verdachte geen praktijk hield aan huis onvoldoende voor de weerlegging van het verweer. Maar het hof heeft het niet bij die enkele vaststelling gelaten. Het hof heeft bovendien gelet op de plaats waar de briefjes werden aangetroffen en op het feit dat die briefjes op naam van andere artsen stonden. Het hof hanteert in dit verband echter het criterium of redelijkerwijs kon worden vermoed dat die receptbriefjes aan verdachte in zijn hoedanigheid van arts zouden kunnen zijn toevertrouwd. Naar mijn mening is dat criterium niet juist. De vraag die het hof zich had moeten stellen is de volgende: waren de omstandigheden waaronder de briefjes werden aangetroffen zodanig en/of was het uiterlijk van de receptbriefjes aldus dat in redelijkheid er geen twijfel aan kon bestaan dat zij niet onder het verschoningsrecht zouden vallen?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/0bfd70e43bb89f355842def784977dad48e1766e18560fdb66e9a5d529e3e5ad. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 0bfd70e43bb89f355842def784977dad48e1766e18560fdb66e9a5d529e3e5ad, en de alinea staat in dat document op bytes 14489 tot 15440.