Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001

Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1337.

e) Dezelfde gedachte ligt ten grondslag aan de rechtspraak van de Hoge Raad en het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, waarin is geoordeeld dat in het enkele feit dat de rechter vaststelt dat van een schending van de betrokken voorschriften sprake is geweest, reeds een zekere genoegdoening is gelegen. Zie o.a. EHRM 19 febr. 1998, NJ 2000, 338 m.nt. EJD; HR 13 december 1996, NJ 1997, 682 m.nt. JdB; M.L. van Emmerik, Schadevergoeding bij schending van mensenrechten, 1997, p. 139 e.v. en p. 273. Weliswaar moet deze rechtspraak worden gezien in verband met de schending van procedurele voorschriften in bijv. de BOPZ, doch de eraan ten grondslag liggende gedachte kan naar mijn mening ook gelden bij situaties van belediging of schending van eer of goede naam.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7d45b5a2cabca0020df42944ab15da0462da4681e4e42f509f52afe16b1bafda. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7d45b5a2cabca0020df42944ab15da0462da4681e4e42f509f52afe16b1bafda, en de alinea staat in dat document op bytes 12999 tot 13780.