Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001

Alinea 39 Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1337.

8) Onderdeel 2.1.c klaagt dat het, met name in het licht van de stelling van [eiseres] dat de onrechtmatigheid juist is gelegen in de familieband en in het licht van de vaststelling van het hof dat de uitlatingen jegens haar onrechtmatig zijn, zonder nadere motivering niet duidelijk is waarom juist de familierelatie en het beperkte bereik van de uitlatingen aanleiding zouden vormen om de schadevergoeding op nihil te stellen. Ook deze klacht faalt naar mijn mening. Kennelijk heeft het hof aan de familierelatie een matigende werking toegeschreven. Dit oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onvoldoende gemotiveerd, ook niet in het licht van de stellingen van [eiseres] daarover. Dit oordeel strijdt ook niet met het in de schriftelijke toelichting genoemde arrest HR 11 april 1975, NJ 1975, 373. De relevantie van een familierelatie tussen laedens en gelaedeerde is in het geval van een verkeersfout immers geheel anders dan in het geval van een belediging. Het oordeel daaromtrent is aan de feitenrechter voorbehouden.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7d45b5a2cabca0020df42944ab15da0462da4681e4e42f509f52afe16b1bafda. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7d45b5a2cabca0020df42944ab15da0462da4681e4e42f509f52afe16b1bafda, en de alinea staat in dat document op bytes 20336 tot 21399.