Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001

Alinea 56 Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1347.

2.33 In rov. 5.9 verwerpt de Rechtbank het betoog van [eiseres] dat de gemaakte video-opname niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt. Het maken van video-opnamen vormt weliswaar een inbreuk op de privacy van het personeel, doch deze werd gerechtvaardigd door de concrete verdenking van verduistering jegens T. [Verweerster] behoefde het personeel daarvoor niet te waarschuwen aangezien het doel van de plaatsing van de camera, te weten het verzamelen van bewijs van verduistering, voorbijgeschoten zou worden. De Rechtbank wijst er in dat verband op dat sprake is geweest van één camera gedurende een periode van vier weken, terwijl deze camera op de kassa was gericht.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fbda7afd9602507084491220ea6038f375fb8dd1bc259d09be53a435c6dc14dd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fbda7afd9602507084491220ea6038f375fb8dd1bc259d09be53a435c6dc14dd, en de alinea staat in dat document op bytes 22714 tot 23401.