Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001
Alinea 91 Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 april 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1347.
3.12 De door het onderdeel vertolkte opvatting komt erop neer dat [verweerster] haar recht op een ontslag op staande voet heeft verspeeld omdat zij het bewijs van de verduistering "in de kast had liggen", maar er desondanks gedurende enkele maanden niets mee heeft gedaan. In het licht van hetgeen de Rechtbank heeft overwogen is te billijken dat [verweerster] zich niet heeft bekommerd om de banden op dagen waarop T. afwezig was. Anders gezegd: het is niet onbegrijpelijk dat [verweerster] de bewuste delen van de banden pas - zoals de Rechtbank heeft aangenomen - in het weekend van 24 en 25 februari 1996 heeft bekeken en daardoor pas toen van de verduistering door [eiseres] op de hoogte raakte. Vanaf dat moment moest [verweerster] voortvarend handelen. Met het ontslag op 27 februari 1996 heeft zij dat - naar het onderdeel terecht niet bestrijdt - gedaan.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fbda7afd9602507084491220ea6038f375fb8dd1bc259d09be53a435c6dc14dd. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fbda7afd9602507084491220ea6038f375fb8dd1bc259d09be53a435c6dc14dd, en de alinea staat in dat document op bytes 39613 tot 40489.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/fbda7afd9602507084491220ea6038f375fb8dd1bc259d09be53a435c6dc14dd | shasum -a 256