Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 2001

Alinea 198 Parket bij de Hoge Raad 18 september 2001

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1471.

75. Voor het standpunt dat de Nederlandse rechter niet op grond van ongeschreven volkenrecht een universele strafrechtsmacht mag uitoefenen die de wetgever hem niet heeft gegeven vind ik niet alleen steun in de Grondwet en in de rechtspraak maar daarvoor pleiten ook staatkundige overwegingen. De rechter zou zich aldus begeven op het terrein van de buitenlandse betrekkingen, en voor de voeten lopen van regering en Staten-Generaal, die op dat terrein bevoegd en verantwoordelijk zijn.(103) Bovendien dienen keuzen te worden gemaakt van rechtspolitieke aard, waarvoor de wetgever meer geschikt is dan de rechter, zoals, met betrekking tot crimes against humanity: Welke omschrijving daarvan moet bepalend zijn, die in het nog niet in werking getreden Statuut van het Permanente Internationale Strafgerechtshof, of een andere? En dient al dan niet een voorwaarde voor de uitoefening van de strafrechtsmacht te zijn dat aan een uitleveringsverzoek van een staat die een sterker aanknopingspunt voor jurisdictie heeft niet is voldaan?

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9e040e69f24f8fa5259e04ed6de509b017249a07de118addf56bc1eeabed3915. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9e040e69f24f8fa5259e04ed6de509b017249a07de118addf56bc1eeabed3915, en de alinea staat in dat document op bytes 76675 tot 77720.