Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 september 2001
Alinea 83 Parket bij de Hoge Raad 18 september 2001
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 september 2001, ECLI:NL:PHR:2001:AB1471.
21. Een bevestigend antwoord op deze vraag is niet in strijd met de tekst van het eerste lid van art. 7, eerste lid, EVRM en van art. 15 IVBPR, en lijkt mij goed verdedigbaar. In aanmerking genomen dat de feiten toen ze werden begaan reeds als mishandeling strafbaar waren, verzet het eerste lid zich er niet tegen, die feiten thans als foltering te kwalificeren. Daaraan doet niet af dat de tweede volzin van dat eerste lid telkens meebrengt dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan ten tijde van de feiten op grond van art. 300 e.v. Sr mogelijk was. (Vgl. de zaak Welch,(22) waarbij het EHRM met betrekking tot een wet die bij narcoticadelicten ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel mogelijk maakte heeft geoordeeld dat toepassing van die wet op delicten gepleegd vóór de inwerkingtreding van die wet - het EHRM noemt dat retrospective application - schending opleverde van art. 7 EVRM.)
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/9e040e69f24f8fa5259e04ed6de509b017249a07de118addf56bc1eeabed3915. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 9e040e69f24f8fa5259e04ed6de509b017249a07de118addf56bc1eeabed3915, en de alinea staat in dat document op bytes 33874 tot 34797.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/9e040e69f24f8fa5259e04ed6de509b017249a07de118addf56bc1eeabed3915 | shasum -a 256